|
Bibliotheken
|
||||||||
|
De aarde
D. de Vries
Met deze korte verklaring over het nut van de geografie als het ‘oogh en licht der Historien’ begint Joan Blaeu de Voor-reden van zijn Grooten Atlas van 1664. Hij verwijst naar zegslieden, die hij niet met name noemt, maar hij heeft daarbij zeker het oog gehad op zijn grote voorganger Abraham Ortelius, die in 1570 zijn Theatrum orbis terrarum, de eerste ‘moderne’ atlas, met ongeveer dezelfde woorden bij de lezer had ingeleid (zie nummer 40 en 41). Die nauwe relatie tussen geografie en geschiedenis is er volgens Blaeu omdat wij niets groots of kleins kunnen verrichten zonder dat de ‘plaets’ daarin een rol speelt. Het is de mensen ingeboren om zich te oriënteren en de informatie over de omgeving voor zichzelf en anderen in grafische symbolen op kaarten vast te leggen. Dit begrip van ‘spatial relatedness’ -- door Blaeu al onderkend -- is volgens Arthur Robinson de ware bestaansreden van de cartografie. Vanaf de vroegste tijden heeft elke beschaving zich zo naar eigen inzicht en kennis voorstellingen gemaakt van de wereld dichtbij en veraf, bekend en onbekend, op grond van waarnemingen en ideeën. Van een kritisch-wetenschappelijke benadering van het kaartmaken kunnen we spreken wanneer door toepassing van de meetkundige grondslag de vaste schaalverhouding ontstaat, waardoor de ruimtelijke aspecten van richting en afstand betekenis krijgen. De geschiedenis van de wetenschappelijke cartografie gekenmerkt door perioden van versnelling en vertraging, maar ook wel van stilstand en afbraak. Talrijke passages in de klassieke literatuur wijzen erop, dat kaarten bij de overdracht van ruimtelijke informatie in het dagelijks leven van het oude Griekenland en Rome een rol van betekenis speelden. Het zijn historici en geografen als Herodotus, Strabo en Ptolemaeus die ons in staat stellen ons een beeld te vormen van de uitgangspunten en de ontwikkeling van de klassieke cartografie. De cartografische documenten zelf, in een miniem aantal en dan nog vaak geschonden bewaard, kunnen dat beeld niet verschaffen. Beïnvloed vanuit de culturen van het Tweestromenland zagen Anaximander (circa 611-546 v.Chr.) en andere filosofen van de Ionische school uit Milete de wereld als een platte ronde schijf, met waarschijnlijk de elementaire verdeling in de drie werelddelen Europa, Azië en Afrika, gegroepeerd rondom Hellas met Delphi als middelpunt, terwijl het geheel omgeven was door de Oceaan. In die voorstelling richtte men de blik alleen op het bewoonde deel van de aarde (de ‘oikoumene’). De wiskundige Pythagoras betrok echter in de zesde eeuw voor Christus de gehele aarde in zijn esthetisch-filosofische overweging dat alle hemellichamen, dus ook de aarde, de meest volmaakte geometrische vorm, die van de bol moeten hebben. De bolvormigheid van de aarde werd sindsdien vrij algemeen aanvaard. Deze hypothese leidde tot enkele ‘uitvindingen’: de globe, de toepassing van een net van lengte- en breedtecoördinaten, waarmee ieder punt op de aardbol zo nauwkeurig mogelijk aangegeven kon worden, en de verdeling van de aarde hetzij in vijf zones volgens de keerkringen en poolcirkels, hetzij in een groter aantal ‘klimata’ (letterlijk: inclinaties), die het aantal uren zonneschijn op de langste dag aangaven. Beide indelingen, in zones en klimaten, komen we tot in de zeventiende eeuw in de cartografie tegen. Een wetenschappelijke prestatie van de eerste orde was de berekening van de lengte van een meridiaan door Eratosthenes (circa 275-194 v. Chr.), hoofd van de beroemde bibliotheek van Alexandrië en daardoor als geen ander in de gelegenheid om de grote geografische werken van zijn voorgangers te bestuderen. Op grond van de waarneming op dezelfde dag van de verschillen in de zonnestand te Syene en Alexandrië -- plaatsen waarvan hij de onderlinge afstand kende en die volgens hem op dezelfde meridiaan lagen -- berekende hij het aantal graden van de booghoek tussen die plaatsen. Zo kwam hij voor de omtrek van de aarde tot een resultaat van 252.000 stadia. Gezien de destijds bestaande mogelijkheden van waarneming moeten we daarbij rekening houden met een afwijking van tien à vijftien procent van de werkelijke omtrek. Met deze meting als basis heeft hij de hem bekende geografische gegevens verwerkt in een kaart van de ‘oikoumene’. Lang geleden is dit eerste wetenschappelijke wereldbeeld verloren gegaan, maar door Strabo zijn we daarover zo goed geïnformeerd dat er een reconstructie van gemaakt kon worden (afbeelding 6). De klassieke cartografen hebben zich blijvend erdoor laten inspireren, ook Claudius Ptolemaeus, die ongeveer vier eeuwen later in dezelfde culturele metropool Alexandrië leefde. Hij was de auteur van een astronomische studie, de Almagest en van een handboek voor de geografie en het vervaardigen van kaarten, de Geographia. Deze twee werken hebben de donkere eeuwen na de ineenstorting van het Romeinse rijk overleefd dank zij de culturele kanalen van de islam en Byzantium. Zijn Geographia bevat een verhandeling over het construeren van een coördinatensysteem en de projectie ervan in het platte vlak. Verreweg het grootste deel van dit werk wordt ingenomen door lijsten van plaatsnamen met opgave van geografische lengte en breedte. Oorspronkelijk waren er ook kaarten aan toegevoegd, maar deze ontbreken in het oudst bewaarde handschrift, de codex Vaticanus graecus 177, die in 1295 door de monnik Maximus Planudes in een klooster bij Byzantium werd ontdekt. Wat de klassieke wereld zich aan kennis over de aarde had verworven, werd in het vroeg-christelijke denken bewust opzij gezet of raakte onbewust in vergetelheid omdat het avondland met andere ogen naar de aardse werkelijkheid was gaan kijken. De ruimte waarin men zich probeerde te oriënteren had er nog een andere dimensie bij gekregen. De aarde was het toneel van de heilsgeschiedenis geworden, van de ‘res gestae Dei’, de grote daden van God vanaf de schepping tot heden, en de bijbel was daarvoor de enige en ware bron van kennis. De vraag bij voorbeeld of er misschien menselijke wezens (tegenvoeters of antipoden) aan gene zijde van de aarde woonden, werd door Augustinus ontkennend beantwoord omdat alle mensen zouden afstammen van de drie zonen van Noach. Andere christelijke denkers, zoals Cosmas Indicopleustes (zesde eeuw) wezen op bijbelse gronden de bolvorm van de aarde radicaal van de hand. Het is evident dat louter geografische vragen als de vorm van de aarde, de ligging van plaatsen en de verhouding van land en water buiten dit theologisch gefixeerde blikveld lagen. De kennis van de aarde kreeg door Hugo van St. Victor (1095-1141) een geheel andere functie toegemeten. Hij stelde in een veel gebruikt gidsje voor de geschiedenis, dat er drie factoren (‘circumstanciae’) zijn waarvan historisch inzicht afhankelijk is: de personen, de plaatsen en de tijden: Joan Blaeu zou later, zoals we gezien hebben, deze woorden zowat letterlijk herhalen! De ‘loca, in quibus [res] gestae sunt’ geven het toneel van het gebeuren aan en daarom dient men ze goed te kennen èn af te beelden. Dat gebeurde op de middeleeuwse wereldkaarten of ‘mappae mundi’, die meer een beeldverhaal van de geschiedenis dan een beeld van de geografische wereld geven. Het eenvoudigste type, de wielkaart, die ook wel met de letters T en O wordt aangeduid, bestaat uit een cirkel waarin de scheiding tussen de drie werelddelen de vorm van de letter T heeft, en die in de vroegste versie alleen de namen van de drie continenten Azië, Afrika en Europa, omgeven door de oceaan, toont, soms aangevuld met de namen van de drie zonen van Noach (afbeelding 7). In de zevende eeuw gebruikte Isidorus van Sevilla deze ‘logo’-kaartjes om het verhaal over de indeling van de wereld te illustreren in zijn Etymologiae. Langzamerhand werden er wat meer gegevens aan dit kaarttype toegevoegd, bij voorkeur ontleend aan de bijbel, de geschiedenis van de kerk en aan sagen en legenden uit de laat-klassieke periode, zodat de ‘mappae mundi’ zich uiteindelijk ontwikkelden tot encyclopedische beeldverhalen-in-kaartvorm. Het summum van middeleeuwse wereldcartografie zijn de grote kloosterkaarten van de kathedraal in Hereford en van de abdij Ebstorf op de Lüneburger heide, beide in de dertiende eeuw getekend. Terwijl de kaarten van het T/O-type alleen de bewoonde wereld afbeelden, is er een andere groep ‘mappae mundi’ die de aardbol van pool tot pool laten zien en dit halfrond volgens de oude Griekse traditie in twee koude, twee gematigde en één hete zone verdelen. Dit type is bekend dank zij de laat-klassieke auteur Macrobius (afbeelding 8). Een mengvorm van beide typen is de kaart uit de Liber Floridus, de historische encyclopedie die Lambert van Sint-Omaars circa 1120 heeft vervaardigd. De linker, noordelijke helft wordt daarin ingenomen door de ‘oikoumene’ volgens het T/O-schema, terwijl in de rechter, zuidelijke helft de gematigde zone van de antipoden is afgebeeld (zie nummer 36). Uit de belangstelling voor het werk van Macrobius, waarin onder andere de ontdekkingen van Eratosthenes zijn opgenomen, blijkt dat in de vroege middeleeuwen de klassieke geografische tradities niet geheel en al waren vergeten. Steeds opnieuw waagden geleerden het het bestaan van de antipoden en dus van de bolvorm van de aarde te verdedigen. De beslissende impuls voor de beoefening van de mathematische geografie kwam in de volle middeleeuwen echter uit een geheel andere hoek, uit Spanje, waar geleerden uit het Latijnse Westen de Arabische astronomie hadden leren kennen. De astronomische werken van Aristoteles en Ptolemaeus werden in de twaalfde eeuw door Gerard van Cremona uit het Arabisch in het Latijn vertaald, evenals de astronomische tafels van al-Zarqali. Gewapend met deze kennis kon men in het vervolg zelf de coördinaten van plaatsen gaan bepalen. De oorsprong van de wetenschappelijke cartografie in de middeleeuwen moeten we dan ook zoeken bij de grote belangstelling voor de astronomie. De ontluikende cultuur van de islam had in de achtste eeuw in de veroverde gebieden van Noord-Afrika en Zuidwest-Azië kennis gemaakt met de erfenis van de laat-klassieke wetenschappelijke traditie, met name op het gebied van geografie en astronomie. Men richtte zich aanvankelijk vooral op het vertalen van de Griekse bronnen. De kalief al-Macmun (786-833) stuurde geleerden naar Byzantium om er handschriften te kopen en daartoe zullen de beide werken van Ptolemaeus, de Almagest en de Geographia, behoord hebben, die spoedig in het Arabisch werden vertaald. Vanaf de tiende eeuw kreeg het
wereldbeeld van de koran echter meer vat op
de Arabische cartografie: de ronde schijf
van de aarde met de Middellandse Zee en de
Perzische Golf die vanuit de omringende
Oceaan de aarde binnendringen en haar in de
drie continenten verdelen. Mekka, de heilige
stad waarheen zich de gelovigen bij de
dagelijkse gebeden richten, kwam in het
centrum van de aardschijf te liggen. Aan de
grote geografische werken uit deze periode
is vaak een verzameling kaarten van de
landen van de islam toegevoegd die bekend
staat als Atlas van de islam. De
geografie is daarin schematisch uitgebeeld,
vaak gereduceerd tot simpele geometrische
vormen zoals een cirkel of halve cirkel, of
een paar rechte of gebogen lijnen, waardoor
de herkenbaarheid er niet groter op is
geworden. In de presentatie is dit genre
vertegenwoordigd door de wereldkaart van
al-Ist Mede beïnvloed vanuit het moslimse Spanje had men in Europa in de dertiende eeuw meer oog gekregen voor de waarneembare werkelijkheid en voelde men de behoefte daar meer van te kennen en er verder in door te dringen. De hemel en de aarde werden nu geobserveerd: circa 1232 berekende men de coördinaten van Londen, kort daarop volgden die van Keulen, Parijs en Mechelen. In die nieuwe attitude van waarneming, ondervinding en ervaring moeten we ook de oorsprong zoeken van de zeekaarten waarvan voor het eerst tegen het einde van de dertiende eeuw in het westelijk deel van de Middellandse Zee melding wordt gemaakt. De ‘Carte Pisane’ (circa 1290) is de oudst bewaarde van deze op grote vellen perkament getekende zeekaarten. Hun naam, ‘portolaan’, ontlenen ze aan de geschreven zeegids, waarin allerlei aanwijzingen voor de navigatie waren opgenomen. Ze hebben vanaf het eerste verschijnen direct al alle kenmerken van een volwassen zeekaart: een netwerk van koerslijnen en de summiere geografie van kustlijnen, eilanden en ondiepten, terwijl echter de breedte- en lengtegraden nog lange tijd blijven ontbreken. Aan deze vormentaal van de zeekaart zou in de daaropvolgende eeuwen nauwelijks meer iets worden toegevoegd. Het meest verrassende aspect van de portolanen is dat ze op schaal getekend zijn, zodat ze voor de navigatie op open zee gebruikt konden worden, waar de positie bepaald werd op grond van richting en afstand van de afgelegde koers. Zo werd er in de cartografie weer gemeten (vergelijk nummer 50 en 51). Een bijzonder product van deze middeleeuwse zeecartografie of hydrografie is de vroegste atlas die wij kennen, het Isolario, een verzameling ingebonden kaarten van de eilanden in de Middellandse Zee (zie nummer 44). De groeiende belangstelling voor de wiskundige astronomie manifesteerde zich in de loop van de dertiende eeuw ook aan de universiteiten van Oxford en Parijs. Dit had weer een uitstralingseffect naar de iets jongere universiteiten in de Duitse landen, waar men zich intensief ging bezighouden met het samenstellen van lijsten van geografische coördinaten. Uiteindelijk concentreerde veel van deze kennis zich in de eerste helft van de vijftiende eeuw aan de universiteit van Wenen en in het nabijgelegen augustijnerklooster Klosterneuburg. Daar verstond men circa 1420 al de kunst om op basis van de coördinaatpunten kaarten te vervaardigen. Inmiddels had het avondland ook kennis gemaakt met het tweede, tot dan onbekende werk van Ptolemaeus, de Geographia. De Griekse tekst was door Byzantijnse geleerden tegen het einde van de veertiende eeuw naar Florence meegebracht en daar door Jacopo d’Angelo in het Latijn vertaald. Vanaf dat moment werd het werk in het Latijnse Westen als de ‘auctoritas’ op het gebied van de geografie verwelkomd, in het bijzonder voor het maken van kaarten. De blijvende betekenis van de renaissance van de Geographia moet hierin gezocht worden dat ze de cartografische techniek en vormentaal aanreikte om de bolvormige aarde of delen daarvan zo exact mogelijk op wiskundige basis in het platte vlak af te beelden. Ze staat aan het nieuwe begin van de wetenschappelijke cartografie. In het vervolg zijn projectie, coördinaten en schaal niet meer uit een kaart weg te denken. De revolutionaire ontwikkeling van de cartografie in de zestiende eeuw en de enorme toename van de vraag naar cartografische informatie staan in nauw verband met de politieke en maatschappelijke ontwikkelingen. De grote ontdekkingen verbreedden het blikveld van de West-Europese staten, met het gevolg dat ze hun handelsbelangen over een steeds groter wordend gebied veilig wilden stellen. Voor registratie van eigendom en efficiënte belastingheffing, voor militaire doeleinden -- offensief en defensief --, voor waterstaatkundig beheer bleek de kaart een uiterst geschikte informatiedrager te zijn. Grondeigenaren lieten hun bezittingen in kaart brengen. Berichten over actuele gebeurtenissen werden als beeldverhaal in kaartvorm meegedeeld. Deze steeds grotere toepassing van de cartografie kan men zich zonder de invloed van de drukpers nauwelijks voorstellen. Door de grotere verspreidingsmogelijkheden kregen nu veel meer mensen kaarten onder ogen, waardoor het inzicht in en de kennis van de geografie werden bevorderd, maar ook misvattingen werden algemener en konden een lang en hardnekkig bestaan gaan leiden. Wat eenmaal op een kaart vermeld stond, werd er niet gemakkelijk meer afgehaald. De twee belangrijkste ontwikkelingen uit deze bloeiperiode zullen nu nader belicht worden het nieuwe wereldbeeld en de topografische cartografie. De ontdekkingen door Portugezen en Spanjaarden van gebieden op de aardbol die volkomen onbekend waren, hadden tot gevolg dat er een geheel nieuw wereldbeeld ontstond. Deze ommekeer in de geografische oriëntatie, die zich in een betrekkelijk korte periode van twintig jaar voordeed, vindt onder andere zijn neerslag in de wijzigingen die de kaartinhoud van de gedrukte Geographia ondergaat. Op de traditionele wereldkaart van Ptolemaeus is slechts de helft van de wereldbol afgebeeld, 180 van de 360 lengtegraden, dat wil zeggen alleen de toen bekende wereld, de ‘oikoumene’ uit de klassieke oudheid (zie nummer 38). Hoe men zich vanuit die visie de achterzijde van de aardbol voorstelde, toont ons de oudst bewaarde globe, die Martin Behaim in 1492 in Neurenberg tekende. Het Euro-Aziatische continent is daarop uitgerekt tot 230° zodat er voor de oceaan die Azië van Europa scheidt slechts 130° verblijft en Europa recht tegenover Japan komt te liggen. Via deze kortere route was, zo dacht Columbus, Oost-Azie sneller te bereiken. Een totaal andere kijk op de aarde ligt ten grondslag aan de in 1513 te Straatsburg verschenen editie van de Geographia, waarin Martin Waldseemüller op het titelblad expliciet vermeldde dat er nog een tweede deel aan is toegevoegd, bestaande uit twintig kaarten met de nieuwe ontdekkingen. Daarmee brak hij definitief de gesloten ring van het klassieke wereldbeeld open. Een van die nieuwe kaarten is de ‘Tabula Terre Nove’, de kaart die Amerika een eigen en vaste plaats in het wereldbeeld geeft (afbeelding 9). Het is de uitkomst van een ingrijpend proces in het geografisch denken, waarbij men met grote moeite tot het inzicht was gekomen dat Azië en Europa niet slechts door een betrekkelijk smalle oceaan waren gescheiden, maar door een nieuw continent, omgeven door oceanen. In 1507 had Waldseemüller in het geschriftje Cosmographiae introductio al de gedachte geopperd dat de nieuw ontdekte gebieden tot een vierde werelddeel behoorden, waaraan naar zijn mening de naam van Amerigo Vespucci verbonden moest worden. Dit wereldbeeld van de Nieuwe naast de Oude Wereld is sinds het begin van de zestiende eeuw in wezen niet meer veranderd, al blijven nieuwe ontdekkingen en metingen zorgen voor aanvullingen en correcties tot op de dag van vandaag. Een andere, weliswaar iets minder revolutionaire, maar toch wel ingrijpende correctie op het Ptolemeïsche wereldbeeld was de ontdekking dat de Indische Oceaan niet een gesloten binnenzee was. Wat men al lang vermoed had, werd door Bartholomeus Diaz in 1487 bevestigd toen hij Kaap de Goede Hoop passeerde en daarmee de zeeweg naar de rijkdommen van Oost-Azië opende. Het vijfde continent, het Zuiderland of ‘Terra Australis’ dat Magelhaen in 1519 bij Terra del Fuego had gezien en dat op de meeste kaarten van de zestiende eeuw als een langgerekt werelddeel ten zuiden van de oceanen is afgebeeld, wachtte nog op ontdekkers: ‘adhuc inexplorata’ (tot nu toe niet ontdekt) of ‘nondum cognita’ (nog niet gekend) lezen we op de wereldkaarten van Tramezzino (1554) en Ortelius (1570) (zie nummer 39 en 40). Na de ontdekkingstochten van Abel Tasman (1642-1644) bleek er voor Australië maar een bescheiden plaats nodig en werden de halfronden in het zuiden leeg (zie nummer 41). De tweede belangrijke bijdrage van de zestiende eeuw is de topografische cartografie. Ptolemaeus maakte al onderscheid tussen geografische kaarten, die de gehele bewoonde wereld of grote gebieden ervan afbeeldden met alleen ‘grotere plaatsen, steden, bergen en voornaamste rivieren’ erop en dat alles op de juiste schaal en de juiste plaats, en anderzijds de chorografische of topografische kaarten van kleinere gebieden, waaraan de meetkundige basis volgens hem mocht ontbreken en die beter door een schilder gemaakt konden worden omdat het daarbij gaat om de ware gelijkenis en om het detail. Sinds de zestiende eeuw berusten topografische of regionale kaarten echter wél op een meetkundige basis, namelijk vanaf het moment dat de landmeters-geografen de uniforme schaalverhouding in de regionale kartering gingen toepassen. De vroegste vermeldingen van landmeters in de middeleeuwen komen uit Italië (1141, 1164) en Vlaanderen (1190); in Nederland worden ze voor het eerst in de veertiende eeuw vermeld. Deze landmeters hielden zich vooral bezig met het vaststellen van grenzen en het opmeten van landerijen, terwijl ze van hun bevindingen bij voorkeur verslagen maakten. Ze waren meer vertrouwd met het geschreven woord dan met de geschetste kaart. Hun techniek was eenvoudig en bestond voornamelijk uit het meten met koord of roede en grotere afstanden werden met schreden afgepast. Vanwege de ‘maplessness’ van de middeleeuwen en de ‘medieval unfamiliarity with maps’ hoeven we van de grootschalige cartografie in de middeleeuwen niet veel te verwachten (Skelton 1986, p. 4 en 15). De enkele kaarten uit de Nederlanden die bewaard zijn gebleven leren ons dat de makers geen moeite genomen hebben om de afstanden op de kaart in een vaste verhouding tot de afstanden in werkelijkheid te plaatsen (afbeelding 10). Hun meestal getekende en geaquarelleerde kaarten zijn picturaal en beeldend. Toch blijven ze een grote affiniteit vertonen met de cartografie, omdat ze het landschap in een plat of bijna-plat vlak weergeven. De zestiende eeuw begint dus enerzijds met een landmeetkundige traditie van geschreven registers en weinig kaarten, eenvoudige instrumenten en technieken, anderzijds met een picturale cartografie zonder meetkundige basis, maar met een sterk beeldend karakter (zie nummer 46). Kort voor en na 1500 zijn er de eerste aanwijzingen dat men een andere visie krijgt op het in kaart brengen van kleinere en grotere gebieden: Leonardo da Vinci’s plattegrond van Imola en Erhard Etzlaubs pelgrimskaart ‘Das ist der Rom-Weg’ zijn beide op schaal gemaakt. Ongeveer dertig jaar later worden in Nederland de uitdrukkingen ‘met de kleine maat’ en ‘op de kleine voet’ gebruikt, die aangeven dat er met een schaalverhouding werd gewerkt. Het waren de landmeters die, op grond van hun ervaring in het opmeten van landerijen, deze vaste schaalverhouding in de loop van de zestiende eeuw vrij algemeen begonnen toe te passen. Aan de picturale kaart werd zodoende een meetkundige basis toegevoegd en de schilder-cartograaf werd opgevolgd door de landmeter-cartograaf. Ook hebben we gezien hoe in de late middeleeuwen aan de universiteiten, en dan vooral de Duitse, de studie van de astronomie intensief werd beoefend en hoe daarbij grote ervaring werd opgedaan in de praktische toepassing van de wiskunde. Men wist al om te gaan met geometrische grondbegrippen, alleen moesten ze nu aan de nieuwe behoeften van de topografische cartografie aangepast worden. En dat gebeurde door de veelhoeksmeting als nieuwe techniek voor het vervaardigen van kaarten-op-schaal te introduceren. In 1533 beschreef Gemma Frisius, hoogleraar in de wiskunde te Leuven, de methode van de voorwaartse insnijding in een boekje met de titel Libellus de locorum describendorum ratione (afbeelding 11). Deze methode houdt in dat men vanaf een basis door hoekmetingen de ligging van plaatsen kan bepalen zonder daarvoor de onderlinge afstanden te meten of te schatten. Degene die deze methode voor het eerst bij grote gewestelijke karteringen consequent heeft toegepast, was de ‘keizerlijk-koninklijke geograaf’ Jacob van Deventer (circa 1505-1575), die evenals Frisius aan de universiteit van Leuven had verbleven. In de jaren 1536-1545 heeft hij achtereenvolgens Brabant, Holland, Gelderland, Friesland en Zeeland in kaart gebracht in opdracht van de Staten van deze gewesten (zie nummer 47). In de loop van de zestiende en zeventiende eeuw nam de nauwkeurigheid van de opmetingen nog verder toe door de toepassing van nieuwe technieken in de ‘geometria practica’ en door het gebruik van betere instrumenten. In Frankrijk was het met de kwaliteit van de regionale cartografie omstreeks 1665 minder gunstig gesteld. Dat was althans de mening van de Franse minister Colbert, die voor zijn economisch beleid, onder andere voor de aanleg van wegen en kanalen, betrouwbare topografische kaarten nodig had en daarom sterk in geografie geïnteresseerd was. Hij had het geluk een beroep te kunnen doen op een van de beroemdste astronomen van die tijd, Jean Dominique Cassini uit Bologna (1625-1712). Door Colbert naar Frankrijk gehaald, nam deze in 1669 de leiding van het observatorium van Parijs op zich. Ook de Académie Royale des Sciences, in 1666 gesticht, werd door hem gemobiliseerd om aan de totstandkoming van de ‘Carte de la France’ haar bijdrage te leveren. Twee jaren na de oprichting nam dit illustere instituut beslissingen die voor de geschiedenis van de cartografie een mijlpaal zouden betekenen (afbeelding 12). De abt Picard, lid van de Académie, kreeg de opdracht om, samen met Cassini, een proefmeting bij Parijs uit te voeren en daarna de omtrek van het gehele land na te meten door van zoveel mogelijk haven- en grensplaatsen via astronomische berekening de geografische coördinaten te bepalen. Ook stelde hij in 1670 op basis van een driehoeksmeting tussen Amiëns en Parijs de lengte van een meridiaangraad opnieuw vast: 111.210 meter. Een probleem waarmee geografen en zeevaarders zich al eeuwen hadden beziggehouden was dat van de bepaling van de geografische lengte. Cassini had, toen hij nog in Italië was, daarvoor een oplossing gevonden in een door Galilei aangereikte methode, die gebaseerd was op de waarneming van de eclipsen van de door hem ontdekte manen van Jupiter. Daar deze bewegingen overal op aarde op hetzelfde moment worden waargenomen, geven ze eigenlijk een universele tijd aan, die, vergeleken met de tijd van de plaats van waarneming, een verschil laat zien dat de geografische lengte aangeeft, want één uur verschil in tijd staat voor 15° in lengte. Er werden Franse astronomen naar drieënveertig plaatsen, verspreid over de gehele wereld, gezonden om op basis van de observatie van de manen van Jupiter de coördinaten te bepalen. Om deze gegevens te verzamelen had Cassini op de vloer van het observatorium te Parijs een grote ronde wereldkaart van zeveneneenhalve meter diameter laten tekenen, waarop alle opnieuw vastgestelde coördinaten werden ingetekend (zie nummer 42). Terwijl Cassini en zijn zoon Jacques, die hem opvolgde, zich verder kweten van hun taak om de ‘Carte de la France’ tot een goed einde te brengen, richtte de aandacht van de Académie zich op een door Newton aangereikt geodetisch probleem van de eerste orde: de vorm van de aarde. Newton was op grond van zijn zwaartekrachttheorie tot de conclusie gekomen dat de aarde vanwege de draaiing om haar as aan de centrifugale kracht onderhevig is en aan de polen afgeplat moest zijn, met het gevolg dat de grootte van een breedtegraad naar de polen toe zou nemen en dat de evenaar groter zou zijn dan een meridiaan. Aan de astronomie was nu de opdracht om Newtons conclusie proefondervindelijk te staven of te weerleggen. Daartoe werden er wetenschappelijke expedities uitgezonden naar gebieden waar de verschillen het grootst zouden zijn: bij de poolcirkel in Lapland en de evenaar in Ecuador. Na tien jaar hard werken onder vaak barre omstandigheden kwamen de laatste expeditieleden uit Zuid-Amerika in 1745 in Parijs terug. De meetresultaten bevestigden de theorie van Newton: in Lapland was de breedtegraad 111,094 kilometer lang en in Ecuador 109,92. De aarde was dus niet zo volmaakt rond als Pythagoras zich had voorgesteld. Jacques Cassini en Cassini de Thury, zoon en kleinzoon van Jean Dominique, hadden in de tussentijd niet stilgezeten. De triangulatie langs de meridiaan van Parijs was in 1718 voltooid en liep toen van Duinkerken in het noorden tot Perpignan in het zuiden. Met deze centrale as als uitgangspunt had men geheel Frankrijk in een net van vierhonderd driehoeken gevangen en in de jaren 1740-1744 werd er een secundair net aan toegevoegd, zodat Cassini de Thury in 1745 de Académie een kaart in achttien bladen kon aanbieden waarop achthonderd driehoeken waren ingetekend. De resultaten maakten zo’n indruk op Lodewijk XV, dat hij de financiën voteerde om de grootschalige topografische kaart die Colbert voor ogen had gestaan te voltooien. Deze ‘Carte de Cassini’ of ‘Carte de l’Académie’ op een schaal van ‘une ligne pour cent toises’ ( ca. 1 : 86.400) werd ten slotte in 1789 door de vierde Cassini in honderd bladen aan de Assemblee Nationale aangeboden (zie nummer 48). Vier generaties Cassini en andere geleerden van de Académie hadden in iets minder dan een eeuw de kennis omtrent de aarde, vooral van haar meetkundige aspecten, verdiept en uitgebreid. Uit het voorafgaande is gebleken hoe de basis van deze wetenschappelijke cartografie al in de Oudheid door Griekse geografen was gelegd en hoe ze daarna, in de middeleeuwen, vrijwel geheel in vergetelheid raakte. Aanzetten tot vernieuwing, al herkenbaar in de dertiende eeuw, leidden tot de bloeitijd van de zestiende, waarin een nieuw wereldbeeld en de topografische cartografie ontstonden. Frankrijk ten slotte zorgde voor de ‘reformatie van de cartografie’ door er een geodetisch en astronomisch bepaalde fundering aan toe te voegen. Van Anaximander tot Cassini was men steeds nauwkeuriger gaan ‘letten op plaetsen’. Literatuur
|
||||||||