|
Bibliotheken
|
||||||||
|
Het plantenrijk
P.W. Leenhouts
De plantkunde was tot ver in de nieuwe tijd vooral een praktische wetenschap. De mens was nu eenmaal vanouds op zoek naar planten die hem als voedsel konden dienen en al heel vroeg probeerde hij de belangrijkste voedingsgewassen te telen in plaats van steeds weer in de natuur op zoek te gaan naar voedsel. Maar de oudste handboeken waren vooral gericht op de betekenis van de planten voor de bereiding van geneesmiddelen. De belangrijkste botanici waren tot in de zeventiende eeuw dan ook vrijwel zonder uitzondering geneeskundigen. Zij putten voor hun kennis uit de ervaring die in de volksgeneeskunde was opgedaan en die tot dan toe veelal van generatie op generatie, al dan niet met magie beladen, mondeling was overgedragen. Die kennis verschilde natuurlijk per volk en per streek. De mogelijkheden om haar verder te ontwikkelen waren door het ontbreken van enige systematiek in de beschouwing gering. In feite traden er alleen verschuivingen op als men doordrong in onbekende streken of in aanraking kwam met andere culturen. Zo kon het gebeuren dat de encyclopedische plantkundige werken die uit de Oudheid zijn bewaard, nog sporen bevatten van naburige en verre vreemde culturen. Het is merkwaardig dat het vroegste bewaarde botanische werk echter een heel ander karakter had. Het gaat om De plantis van Theophrastus van Eresus, die van circa 370 tot 287 v.Chr. leefde. Hij was een leerling van Aristoteles, wiens plantkundige werk verloren ging. In tegenstelling tot de straks nog te noemen compilatoren, die in het gunstige geval enige aandacht aan de morfologie, de vorm dus, van de planten schonken, onderscheidde Theophrastus zich door zijn natuurfilosofische benadering. Bij hem vindt men ook aandacht voor de anatomie; zo zijn bast en merg, nerven en vaten al door hem behandeld. Maar voorlopig bleek dit zelfs in de Griekse wereld een weinig inspirerende weg, waarbij het ontbreken van het juiste instrumentarium mogelijkerwijs een rol speelde. Latere plantkundigen zouden zich -- voor zover bekend -- tot in de zeventiende eeuw beperken tot de morfologie en de betekenis van de beschreven planten voor de landbouw en als geneesmiddel. Wat op dat gebied in de eerste eeuw na Christus in de Griekse wereld bekend was, werd vrijwel volledig bijeengebracht door Pedianus Dioscurides, die uit Klein-Azië afkomstig was. Zijn werk, meestal geciteerd onder de Latijnse titel De materia medica, overheerste de plantkunde tot in de nieuwe tijd. Zijn Romeinse tegenhanger Gaius Plinius Secundus (23/24-79 na Chr.) bracht voor de Latijnse wereld in zijn Naturalis historia bijeen wat hij op dit gebied kon verzamelen. Maar zijn werk was minder gericht op de medische praktijk en had op het gebied van de toegepaste plantkunde derhalve minder invloed. Aan het gezag van Dioscurides lagen twee onjuiste veronderstellingen ten grondslag. Ten eerste de gedachte dat deze auteur alle planten kende, en voorts, daarmee samenhangend, dat alle planten overal voorkwamen. Zo heeft men de hele middeleeuwen door gezocht naar planten die Dioscurides vermeldde, terwijl men anderzijds elke gevonden plant in De materia medica wilde terugvinden. Door deze geestelijke instelling was de weg naar een vernieuwing van de plantkunde geblokkeerd. Voorlopig was er geen kans dat de inzichten van Theophrastus alsnog tot een vernieuwing zouden leiden. Zijn werk was nagenoeg alleen in het Oosten bekend en de tweedeling van het Romeinse rijk zou dat alleen maar in de hand werken, zoals trouwens de kennis van de Griekse cultuur en taal in het gehele Westen vrijwel verloren ging. Bovendien besteedde de nieuwe religie, het christendom, dat vanaf de vierde eeuw het openbare leven overheerste, geen aandacht aan deze vorm van wetenschapsbeoefening, die zo sterk door de heidense filosofie bepaald was. In het Oosten ging het al niet anders. Daar bleef echter in kringen van de nestoriaanse christenen in Syrië belangstelling voor de Griekse wetenschap levend. Zij zouden, vooral vanaf de negende eeuw, de voornaamste schakel vormen tussen de Griekse en de Arabische wereld, waardoor de Griekse filosofie en wetenschapsbeoefening in Arabische vertalingen in een nieuwe wereld kon doordringen, tot in Spanje toe. Maar ook daar zou Dioscurides de toonaangevende auteur worden. Wat behelsde nu precies het werk van deze Dioscurides? In zijn oorspronkelijke vorm kennen wij het niet meer. Het belangrijkste handschrift, thans in Wenen bewaard, en daarom vaak eenvoudig de ‘Codex Vindobonensis’ of ‘Weense Dioscurides’ genoemd, is omstreeks 512 aan het Byzantijnse hof voor prinses Anicia Juliana gemaakt (afbeelding 30). Het is door zijn rijke uitvoering met recht een vorstelijk handschrift genoemd. Maar ondanks die nobele herkomst en de vroege datum zijn er al insluipsels in de tekst, deels aanvullingen van leerlingen, en deels fouten als gevolg van het herhaalde overschrijven, te constateren. Een dergelijk, op praktische kennis gebouwd werk was nu eenmaal aan voortdurende veranderingen onderhevig. In opzet was het ook een eenvoudig werk. Het besteedde enige aandacht aan de morfologie van de genoemde planten, die gesteund werd door een in het Weense handschrift nog sterk naturalistische afbeelding, waarover straks meer; het gaf de verschillende benamingen waaronder de planten bekend stonden, en richtte zich vooral op mogelijke medische toepassingen. De latere handschriften en vertalingen kunnen dus mozaïeken zijn van de oorspronkelijke tekst, gemengd met gegevens van heel uiteenlopende herkomst. De Arabische vertalingen, waaronder het heel oude Leidse handschrift (zie nummer 94), zijn dan ook veeleer als bewerkingen te beschouwen. In het Westen was het meest gebruikte handboek het Herbarium van Pseudo-Apuleius, een werk dus, waarvan de echte auteur niet bekend is. Het dateert vermoedelijk uit de vierde eeuw, maar het oudste bekende geïllumineerde handschrift, dat zich in Leiden bevindt (zie nummer 95) is al weer enkele eeuwen jonger, al laat noch de datum, noch de herkomst ervan zich precies vaststellen. Aard en inrichting zijn sterk door de Dioscurides-traditie bepaald. Maar de opzet is veel beperkter. Met de Pseudo-Apuleius en zijn om- en bewerkingen moest men zich in de middeleeuwen vrijwel behelpen. Er bestonden daarnaast wel gebrekkige Latijnse versies van de Dioscurides. Maar pas onder invloed van de medische school van Salerno zou de Arabische geneeskunde en farmacie -- en bij de Dioscurides vermoedelijk door toedoen van Constantinus Africanus (elfde eeuw) in een verbeterde vorm -- in het Westen doordringen. De meest gezaghebbende, naar haar beginwoorden genoemde, compilatie werd de Circa instans, waarin een bonte bloemlezing van tradities uit het Oosten, Zuiden en Westen lijkt samengesmolten. Wetenschappelijk gezien ligt de vooruitgang vooral in het meerdere, niet zozeer in het betere. Daarnaast bleef ongetwijfeld de volksgeneeskunde in allerlei kringen een rol spelen. Hoe die zich precies tot de officiële geneeskunde verhield, is moeilijk vast te stellen. Als zij al op schrift werd gesteld, zal zij vooral in de landstaal geschreven zijn. En daarvan is te weinig bewaard om ons een goed beeld te geven van haar verspreiding en beoefening. Een enkele maal dringt er iets van door in ander werk. Wij noemden al de sporen die in toevoegingen aan klassieke, farmaceutische teksten bewaard bleven. Daarnaast kan hier de Physica van de visionaire kloosterzuster Hildegard van Bingen (1098-1179) worden genoemd, die duidelijk blijk geeft de plantenwereld niet naar Dioscurides alleen te kennen. Albertus Magnus, over wie in de achtergrondtekst bij de afdeling van de dierenwereld al iets gezegd is, kan daarnaast worden genoemd. In alle gevallen betreft het echter gegevens die gefilterd zijn door het kritisch oog van geschoolden. De ontwikkeling van de botanische illustratie is heel merkwaardig verlopen. Eerst loopt deze parallel aan de ontwikkeling in de beeldende kunsten. Als eerste tekenaar van een reeks afbeeldingen van geneeskruiden wordt genoemd Crateuas, een arts uit Klein-Azië, die leefde tussen 120 en 60 v.Chr. Het is heel goed mogelijk dat de boven vermelde illustraties van de Codex Vindobonensis, hoewel zes eeuwen later ontstaan, op hem teruggaan, in ieder geval vertegenwoordigen ze nog de natuurgetrouwheid van de hellenistische kunst. Zowel in de Byzantijse kunst van het Oosten als in de Romaanse van het Westen -- die overigens aanzienlijke Byzantijnse invloeden heeft ondergaan -- treedt een sterke stilering en schematisering op. (In de botanische illustraties van het Westen komt daar misschien de decoratieve inslag van de Arabische kunst nog bij.) Tevens heeft het steeds weer kopiëren, waarbij niet ieder detail altijd goed begrepen werd, een opeenhoping van fouten in de hand gewerkt, die leidde tot verdere schematisering en tot steeds onherkenbaarder figuren (zie ook nummer 81 en 82). In de late middeleeuwen begint in de kunst een geleidelijke teruggang naar het naturalisme. Wat de weergave van planten betreft, treedt deze ontwikkeling kort na 1200 in het Ile de France in de beeldhouwkunst van de kathedralen (Chartres, Parijs, Reims, Amiens) aan het licht. Aan kapitelen, friezen en consoles, later ook op de vlakken tussen beeldgroepen, ontwikkelt zich in enkele tientallen jaren tijds een rijkdom aan goed herkenbare planten. Duitsland en Engeland volgden spoedig. Al omstreeks 1300 beheersten de beeldhouwers de vormen volledig. Dat blijkt uit het feit dat zij de plantaardige motieven vrijer, speelser gaan toepassen. In de schilderkunst komen we natuurgetrouwe afbeeldingen van planten pas tegen in de vroege vijftiende eeuw, met name in het werk van de gebroeders Van Eyck (Hubert, circa 1366-1426, en Jan, circa 1385-1441). De volgende generaties schilders en miniaturisten, vooral in Noordwest-Europa, leveren soms plantenafbeeldingen die nauwelijks voor die van de Van Eycks onderdoen. Stijve, geschematiseerde voorstellingen bewijzen echter dat daarnaast het kopiëren vaak nog hoogtij vierde. Pas bij de handschriften in de zogenaamd Gents-Brugse school vindt men natuurgetrouwe afbeeldingen van bloemen in de randversiering van kostbaar uitgevoerde manuscripten, meest gebeden- en getijdenboeken (zie echter ook nummer 110). Bekend zijn ook de zorgvuldige studietekeningen van planten van enkele kunstenaars als Vittore Pisanello (1397-1455), Leonardo da Vinci (1452-1519) en Albrecht Dürer (1471-1528), maar hiermee wordt de grens naar de renaissance toch al wel overschreden. Veel minder bekend zijn enkele kruidenboeken in de volkstaal, waarin uitstekende, duidelijk op de natuur gebaseerde afbeeldingen voorkomen van planten die bij Dioscurides ontbreken. Ze vinden hun oorsprong in de volksgeneeskunde. De vroegst bekende zijn enkele Italiaanse handschriften van omstreeks 1400. Het beroemdste en fraaiste hiervan is het Liber de simplicibus van Rinio, een handschrift dat bekend staat als ‘Codex Roccabonella’, geïllustreerd door de overigens onbekende Andrea Amadio en ontstaan te Venetië in 1419. Zo bestaan er ook enkele vijftiende-eeuwse Duitse handschriften, waarvan een fraai, maar helaas onvolledig voorbeeld zich in Leiden bevindt (zie nummer 97). De natuurgetrouwe afbeeldingen en het voorkomen van sommige planten wijzen ook hier in de richting van de volksgeneeskunde. Het is merkwaardig dat in de late middeleeuwen de wetenschappelijke botanische illustratie in de klassieke kruidenboeken en herbaria met de bovengeschetste ontwikkeling niet of nauwelijks meedoet. Met het kopiëren van de handschriften blijft het schematiseren van de afbeeldingen voortgaan. Nu en dan, als een arts meende een plant van Dioscurides te herkennen en hij met de afbeelding in het voorbeeld ontevreden was, of als een afbeelding ontbrak, ook wel als een arts een inheemse plant toevoegde, liet hij blijkbaar een figuur naar de natuur tekenen. In één zelfde handschrift vinden we dan ook soms naast veel onherkenbaars enkele redelijk tot goed geslaagde afbeeldingen. Of die dan ook iets met de plant bij Dioscurides te maken hebben is een andere zaak. Een dergelijk mozaïek van totaal onherkenbare naast redelijk tot goed herkenbare afbeeldingen is nog terug te vinden in de eerste gedrukte kruidenboeken. Pas met de renaissance der botanie in het tweede kwart van de zestiende eeuw gaat de botanische illustratie in de pas lopen met de beeldende kunst door de natuur opnieuw als uitgangspunt te nemen. In de botanie heeft de renaissance pas laat echt goed doorgezet. Het is merkwaardig dat die op twee verschillende plaatsen op verschillende wijze, maar vrijwel gelijktijdig, plaatsvond. Het uitgangspunt in enerzijds Zuid-Europa, anderzijds Midden- en West-Europa, was verschillend, en daarmee ook de ontwikkeling. In het zuiden lag het zwaartepunt in Italië. Men beschikte daar op groter schaal over literaire bronnen, laat-klassieke Latijnse handschriften en terugvertalingen van Griekse werken uit het Arabisch. De discrepantie tussen de volks- en de klassieke geneeskunde was hier niet zo groot, ook al begon men zich te realiseren dat er veel meer planten bestonden dan Dioscurides gaf. De ontwikkeling van de botanie liep hier evenwijdig aan die in de andere wetenschappen. Men begon met tekstkritiek, het opsporen en onderling vergelijken van verschillende afschriften van en commentaren op dezelfde tekst, en probeerde daaruit een betere, authentiekere tekst te reconstrueren. De volgende stap was de bestudering van de natuur zelf. De typisch Italiaanse bijdrage hieraan was het toegankelijk maken van planten door het aanleggen van botanische tuinen enerzijds, van herbaria anderzijds. De centrale figuur in beide ontwikkelingen was Luca Ghini (1490-1556), hoogleraar te Bologna en Pisa. Hij stichtte in Pisa de eerste botanische tuin in 1544, legde zelf een herbarium aan en stimuleerde ook zijn leerlingen en correspondenten dit te doen. In Midden- en West-Europa was de situatie geheel anders, waarschijnlijk omdat de kloof tussen de officiële en de volksgeneeskunde veel wijder was. De geschiedenis van de renaissance in de botanie is hier eigenlijk de geschiedenis van drie boeken. Het eerste is het Herbarum vivae eicones van Otto Brunfels, verschenen tussen 1530 en 1536. De tekst ervan is nog traditioneel, en sluit aan bij de vroegere auteurs, maar de illustraties, fraaie houtsneden naar aquarellen van Hans Weiditz, zijn direct naar de natuur gemaakt. Als tweede komt het New Kreutter Buch van Hieronymus Bock, waarvan de eerste editie van 1539 weliswaar ongeïllustreerd is, maar belangrijk is omdat hier de inheemse geneeskrachtige kruiden voor het eerst goed en naar de natuur beschreven zijn. De tweede editie van 1546 heeft goede houtsneden van David Kandel, ten dele naar Fuchs, ten dele oorspronkelijk. Het derde, uit 1542, is De historici stirpium van Leonhard Fuchs met bijzonder fraaie en grote houtsneden naar tekeningen van Albrecht Meyer, en met een tekst, die aansluit bij die van Bock. De paginagrote houtsneden van Fuchs’ eerste editie werden in de in 1543 verschenen Nederlandse uitgave Den nieuwen herbarius vervangen door veel kleinere, in de kolom passende, prenten (zie nummer 98), en dit werd de stijl van de meer bekende kruidenboeken van Rembertus Dodonaeus (Dodoens), Carolus Clusius en Matthias Lobelius. Met de drie eerstgenoemde Duitse boeken is feitelijk Dioscuridus ter zijde geschoven en heeft de op de inheemse flora gebaseerde volksgeneeskunde de leidende positie overgenomen. Na de renaissance treedt zowel verbreding als verdieping van de botanische kennis op; verbreding in die zin dat een steeds groter deel van de wereldflora bekend raakte, verdieping waar ook in toenemende mate aandacht werd besteed aan morfologie, anatomie, fysiologie, genetica enzovoorts. Voor de presentatie is voor de periode na 1600 gekozen voor de verbreding van kennis. Naast het feit dat dit de mooiste boeken oplevert is een belangrijke reden voor deze keuze dat Nederland dank zij de activiteiten van de Oost- en West-Indische Compagnie aanzienlijk bijgedragen heeft tot de groeiende kennis van de flora van vooral Zuid-Amerika, Zuid-Afrika, Zuid- en Zuidoost-Azië en Japan (zie nummer 102, 103, 104, 105). Literatuur
|
||||||||