|
89. Die wonderlijke kleine dingen der natuur
a. Contre-épreuves van de zestig platen uit: Georg Everhard Rumphius,
DAmboinsche rariteitkamer, behelsende eene beschryvinge van alerhande zoo weeke als
harde schaalvisschen, [...] als mede allerhande hoorntjes en schulpen, [...] daar beneven
zommige mineraalen, gesteenten [...] (Amsterdam, by François Halma, 1705). Handgekleurd.
[Z.pl., na 1741.]. -- (Plano 45 D 1)
b. Elf schelpen. (Naturalis).
Voordat Georg Everhard
Rumphius (1627/8-1702) in 1652 in dienst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie trad,
had hij onder andere al een periode van krijgsgevangenschap in Portugal achter de rug. Bij
de Loffelijke Compagnie was hij eerst soldaat, daarna werd hij als koopman
gestationeerd op Ambon, in welke functie hij uitstekend aan zijn meerderen beviel.
Rumphius vatte een zo grote liefde voor het eiland op, dat hij besloot er een uitgebreide
beschrijving van te geven. Hij voltooide een deel over de flora: Het Amboinsch
kruid-boek (zie nummer 102) en een over het leven in de
zee: DAmboinsche rariteitkamer.
Het zijn in vele opzichten prachtige boeken, die hem de terechte bijnaam de
Indische Plinius hebben opgeleverd, en onze bewondering ervoor stijgt nog, wanneer
we weten dat in 1670 Rumphius de ergste ramp voor een natuuronderzoeker, blindheid,
overkwam. Hoewel hij voor de Compagnie nutteloos was geworden, heeft zij hem toch in
betaalde dienst gehouden en hem zelfs de beschikking over een klerk en een kopiist
gegeven, zodat Rumphius samen met zijn zoon Paulus Augustus zijn levenswerk kon
voortzetten. Daarbij bleven verdere calamiteiten hem niet bespaard: in 1687 werd zijn huis
vernietigd, waarbij zijn vrouw en twee van zijn kinderen omkwamen en het grootste deel van
zijn materiaal verloren ging. Gelukkig kon het verlorene gereconstrueerd worden, maar
alles zou definitief bij het transport van Java naar Holland, toen het schip met zijn
kostbare lading door Fransen tot zinken werd gebracht, verloren zijn geraakt, als de
gouverneur-generaal Joannes Camphuis Rumphius manuscript niet eerst, als wijze
voorzorgsmaatregel, had laten kopiëren. Voordat het in Holland tot een uitgave kwam,
heeft een aantal kenners eerst naar het manuscript gekeken en het van aanvullingen
voorzien. Een van de voornaamste van hen was Simon Schijnvoet, wie in het voorwoord van de
uitgever daarvoor hartelijk dank wordt gezegd.
Een van de vele kanten van Rumphius werk, die het lezen erin zo aantrekkelijk
maakt (Nieuwenhuys besteed er uitvoerig aandacht aan), is de gebruikte naamgeving. Ook bij
de schelpen vinden we fraaie, helaas nooit echt in gebruik genomen namen, zoals de
gerimpeld oude Wyfs-Schulp en de dubbele Zotskap-Schulp.
De platen geven over het
algemeen de schelpen en andere naturalia goed herkenbaar weer, al is het soms wel zo dat
de platen spiegelbeeldig ten opzichte van de originelen zijn. Vooral bij slakken kan dat
aanleiding tot misverstand geven. De meeste slakkehuisjes zijn namelijk
rechtsgewonden: als men ze van boven af, wanneer de top van het huisje naar
boven wijst, bekijkt, nemen ze met de wijzers van de klok mee in de breedte toe. De
opening, waardoorheen de slak in- en uitschuift, bevindt zich dan rechts onderaan. Bij
Rumphius (en meer oudere afbeeldingen) lijkt het bij de spiegelbeeldige platen dan zo, dat
het om veel zeldzamere, linksgewonden soorten gaat. In het hier getoonde exemplaar is dat
echter niet het geval: de platen zijn zogenaamde contre-épreuves, die
ontstaan zijn doordat op nog natte afdrukken een nieuw vel papier wordt gelegd, dat
vervolgens de natte inkt opneemt waardoor dan weer een nieuwe afdruk ontstaat, die
spiegelbeeldig ten opzichte van het gebruikte origineel is. Dit heeft tot
gevolg dat wat op het origineel in spiegelbeeld stond afgedrukt, op de
contre-épreuve in de juiste stand is afgebeeld.
Getoond is plaat 48 met de daarop afgebeelde schelpen ook in het echt:
- op de bovenste rij tweemaal Pecten nodosus L.;
- op de tweede rij Venus Paphia L.;
- op de derde rij Spondylus crassisquama Lam. en ducalis Lam.;
- op de vierde rij de versteende kern van een fossiele schelp;
- op de vijfde rij Chama Lazarus L. (damaecornis Lam.) en Cardium costatum L.;
- op de zesde rij Cardium tuberculatum L.(?); en
- op de zevende rij Cardium isocardia L. en Cytherea Dione L.
Het merkwaardige is dat Schijnvoet op deze plaat hoofdzakelijk niet-Ambonese schelpen
heeft laten afbeelden: de twee Pectens komen uit West-Indië, evenals Cardium isocardia;
Venus Paphia en Cytherea Dione horen thuis in Amerika, Cardium costatum is Westafrikaans
en Cardium tuberculatum Europees!
Literatuur
- E. von Martens, Die Mollusken (Conchylien) und die übrigen wirbellosen Thiere im
Rumpfschen Raritätkammer, in: Rumphius gedenkboek, 1702-1902. Haarlem
1902, p. 109-136, vooral p. 129.
- Claus Nissen, Die botanische Buchillustration. Ihre Geschichte und Bibliographie.
Stuttgart 1951-1966. 2 dln, nr. 3518.
- W.S.S. van Benthem Jutting, Rumphius and malacology, in: Rumphius
memorial volume. Ed. by H.C.D. de Wit. Baarn 1959, p. 181-207, vooral p. 203-205.
- Rob Nieuwenhuys, Oost-Indische spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over
Indonesië hebben geschreven vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden.
Amsterdam 1972, p. 55-61.
|