Saskia en Hassan gaan trouwen... Achnaton Nassar, een kunstenaar uit twee culturen
Inhoud
1. Persbericht
2. Saskia en Hassan gaan trouwen... Achnaton Nassar, een kunstenaar uit
twee culturen,
door Floris Schreve
3. Portfolio Achnaton Nassar
4. Nassar 1 - 8
5. Nassar 9 - 16
6. Nassar 17 - 25
Saskia en Hassan gaan trouwen... Achnaton
Nassar, een kunstenaar uit twee culturen
Een voorbeeld.
Men ziet de poort van een gebouw, dat onmiskenbaar Arabische trekken vertoont,
met daarvoor een uitstalling van een verzameling schoenen. Ogenschijnlijk gaat
het hier om een moskee en zijn de schoenen van degenen die binnen aan het bidden
zijn. Bij nadere
beschouwing klopt dit beeld niet helemaal. De schoenen blijken Hollandse klompen
te zijn. De poort is niet versierd met islamitische decoraties, hij blijkt
overladen te zijn met Delfts blauwe kitschtegeltjes. Waar gaat het hier om? Is
dit een moskeepoort of iets anders? Gaat dit werk over de islam of zegt het
vooral iets over ons?
‘Achnaton’ Wahib Mahmoud Abou Nassar, geboren in Egypte en al twintig jaar werkzaam in
Nederland, is zich als geen ander bewust van zijn culturele bagage. In een
wereld waar vaak vreemde misverstanden bestaan over de Arabische of islamitische
cultuur, weet hij zich staande te houden door fundamentele vragen te stellen,
aangaande de westerse beeldvorming van een traditie waarin hij zelf is
opgegroeid.
Nassar werd in 1952 geboren in Qena, Egypte. Hij volgde in eerste instantie zijn
kunstenaarsopleiding aan de universiteiten van Alexandrië en Cairo. Hier werd
hij opgeleid in de islamitische traditie, waarbij het Arabische alfabet als
uitgangspunt diende. Nassar vond dit te beperkt. De drang om zich verder te
ontwikkelen dreef hem naar Europa. Na een studie architectuur in het Griekse
Saloniki deed Nassar zijn toelatingsexamen voor de
Rijksacademie, te
Amsterdam.
De tekeningen die hij inleverde voor zijn toelating werden door de docenten wat vreemd
gevonden. Het werk was geïnspireerd op de islamitische kalligrafie, een manier
van werken die hier volledig onbekend was. De docenten van de Rijksacademie
besloten Nassar een tweede kans te geven. Hij kreeg een schetsboek en een
potlood met de opdracht tekeningen te maken op de Albert Cuypmarkt. De
resultaten werden als zeer goed beoordeeld en Nassar werd ruimschoots
toegelaten.
Na zijn studietijd keerde Nassar voor een paar jaar terug naar Egypte. Lang heeft zijn
afwezigheid niet geduurd, al snel ging hij weer naar Nederland om zich in
Amstelveen definitief als kunstenaar te vestigen. Sinds die tijd is hij
buitengewoon actief geweest. In 1983 won hij de Europaprijs voor de
schilderkunst in Oostende. Hij nam deel aan belangrijke tentoonstellingen als
‘Het klimaat’ (1991) en ‘Het land dat in mij woont’ (1996).
Recent kocht het Prins Claus Fonds werk van hem.
Het omvangrijke oeuvre van Nassar is van een grote stilistische diversiteit. Hij
werkt zowel figuratief als abstract. Soms nemen zijn werken op een politieke
manier stelling, een andere keer zijn het lyrische abstracties, vaak geïnspireerd
op de vloeibare structuur van het Arabische schrift en de weelderigheid van de
islamitische ornamentiek. Deze weet hij af te wisselen met vormen die doen
denken aan de gekartelde ritmes van grachtenhuizen, of hij combineert ze met de
ijle leegte van het Hollandse polderlandschap. Vaak spelen middeleeuwse
Arabische teksten een belangrijke rol in zijn abstracte werk.
Opvallend is Nassars gebruik van ironie; als geen ander is hij een meester in het maken van
beeldgrappen. Dit geldt vooral voor zijn figuratieve werk. Hij put hierbij uit
veel verschillende bronnen, van de Nederlandse en de Arabische
kunstgeschiedenis, tot folkloristische elementen, reclamebeelden en
kitschobjecten. Interessant is hoe hij beeldreferenties weet te combineren,
zodat er weer nieuwe betekenissen ontstaan. Tekenend is bijvoorbeeld ‘Zonder
titel’, 1995. Het beeld verwijst naar het bankbiljet van
duizend
gulden, waarop de kop van Spinoza staat uitgebeeld. Door kleine ingrepen is het
beeld van betekenis veranderd. Het gebruikelijke ‘1000 gulden’ is
vervangen in ‘1001 nacht’ en ‘De
Nederlandsche Bank’ is veranderd in
‘De Wereldliteratuurbank’. Het biljet is getekend door president N. Mahfouz
op 22 juli 1952, de dag van de Egyptische revolutie en bovendien Nassars
geboortedag. Een opmerkelijk detail zijn de met goudverf aangebrachte lijnen
in het gezicht van Spinoza. Deze lijnen, die lopen vanaf het profiel van de neus
via de rechter wenkbrauw naar het rechteroog, vormen het woord ‘Baruch’ in
het Arabisch, Spinoza’s voornaam. Op deze wijze plaatst Nassar een Nederlands
symbool als het duizendguldenbiljet in een nieuwe context. Spinoza was immers
in zijn tijd ook een vreemdeling, namelijk een nazaat van Portugese joden. Met
een werk als dit stelt Nassar belangrijke vragen over nationale versus hybride
identiteit en maakt hij een statement over de betrekkelijkheid van symboliek als
een statisch referentiepunt van nationale identificatie.
Een interessant aspect van Nassars werkwijze zijn de verwijzingen naar de
geschiedenis. Oude beelden worden in een hedendaagse context geplaatst en
becommentariëren op ironische wijze het hier en nu. Een duidelijk voorbeeld
hiervan is het tweezijdig
beschilderde
paneel, dat in deze tentoonstelling is
opgesteld als een soort kamerscherm. Aan de ene zijde zien wij de
kunstenaar zelf in zeventiende-eeuws kostuum, met zijn zoontje op de arm. De
kunstenaar wijst naar een oude landkaart van Nederland. Een interessant detail
is de door het beeld afgesneden kaart van Java, op dezelfde schaal, aan de
rechterkant van het tafereel. Dit gegeven relativeert de grootheid van het
Nederlandse koloniale verleden en toont de nietigheid aan van de
nationalistische symboliek.
De andere kant van dit paneel toont ons de symbolische
verbeeldingen van twee leeuwen. Rechts
zien wij de Osmaanse leeuw, links de Nederlandse, gerepresenteerd
in de vorm van de kaart van Nederland, wat in de zestiende en zeventiende eeuw
zeer gebruikelijk was. In dit geval maakt Nassar gebruik Johan van Doetecums
kaart van de Nederlanden uit 1598 (Rijksprentenkabinet, Amsterdam). Opmerkelijk
is dat de Nederlandse leeuw is weergegeven tegen een achtergrond van Delfts
blauwe tegeltjes. Toch gaat het hier niet om het traditionele
Delftse aardewerk; de tegels bevatten afbeeldingen van een zelfportret van
Rembrandt, de naam van Allah in het Arabisch, logo’s van Nederlandse bedrijven
en zelfs een streepjescode. Hoge kunst, volkscultuur, commercie en kitsch geven
gezamenlijk een ironisch beeld van het begrip ‘Nederlandse identiteit’.
Ook in andere werken toont Nassar zijn fascinatie voor de
Nederlandse beeldcultuur van de
zeventiende eeuw. In twee panelen, wederom in de vorm van een kamerscherm (pp.
18-19), laat Nassar zich inspireren door een anonieme houtgravure van een serie
huiselijke taferelen die ons op de gevaren wijst wanneer de vrouw de overhand
krijgt over de man. Nassar heeft de rollen echter omgedraaid. Opvallend zijn de minimale ingrepen in het beeld, een strategie
die Nassar ook toepast in het eerder genoemde werk, naar het
duizendguldenbiljet. Zo hangt er soms een Van Goghreproductie aan de muur, op
een van de taferelen staat een wasmachine en een enkele keer zit de vrouw
achter een computer.
Satire en beeldgrappen zijn belangrijke elementen in Nassars figuratieve werk.
Duidelijke voorbeelden hiervan zijn ‘Barbie’s
barbecue’
en ‘Le mariage de Saskia et Hassan’. Het laatste werk,
waarnaar de titel van deze tentoonstelling verwijst, toont ons een
huwelijksportret in de traditie van Jan van Eijck. Toch bevat dit werk weer de
nodige ‘Nassariaanse’ elementen. Het gaat hier om een absolute
plattelands-Arabier, die wat onwennig staat naast een Nederlandse vrouw van
hetzelfde kaliber (in dit geval een vrouw in Volendamse klederdracht). De man en
de vrouw staan er wat onbeholpen bij; het oranje sjaaltje om de nek van de man
lijkt een krampachtige poging tot goede wil. Het ‘bruidspaar’ staat voor een
achtergronddecor van islamitische decoraties, hoewel ook hier weer vreemde
elementen in te vinden zijn. De meest opvallende
details zijn echter de
letterlijk opgeplakte cartouches. Deze bevatten ‘citaten’ van het werk van
Caravaggio, of de weergave van een
zeventiende-eeuws landschap, met een
kerncentrale op de achtergrond.
Een ronduit satirisch werk van Nassar is de kleine gouache ‘Salam Aleikum’. Op dit werk is een prototypische bedoeïen te zien
(alhoewel,
hij heeft wel een zeer trendy zonnebril) die zichzelf
exhibitioneert voor drie
giechelende vrouwen in Volendamse klederdracht. Een van deze vrouwen is
overigens van negroïde afkomst.
Boven dit absurdistische tafereel staat de tekst ‘Salam Aleikum’ geschreven, weliswaar
in het Arabisch, maar vormgegeven met Hollandse haringen.Wederom gaat het hier om een beeld
waarmee Nassar bepaalde
stereotyperingen op de hak neemt.
Een ander belangrijk aspect van Nassars figuratieve oeuvre is het gebruik van de populaire
cultuur. Een goed voorbeeld hiervan is ‘Zonder titel’, 1995.
Onmiskenbaar zien wij hier een uitbeelding van Jezus met
éen van zijn
discipelen. Een krachtig beeld dat meteen herkenbaar is in de westerse
kunstgeschiedenis. Maar ook met dit beeld is iets aan de hand. Ten eerste lopen
er vage strepen door het beeld en ten tweede staat er een Arabische tekst onder.Het betreft hier echter scènes uit de verfilmde musical Jesus
Christ Superstar. Nassar zag deze film in Egypte op een analoge televisie
(vandaar de strepen en de ‘sneeuw’), met de relatief ‘hoge’
ondertiteling, zoals dat daar gebruikelijk is. De tekst is van Judas, die vraagt
tijdens het laatste avondmaal, toen Jezus
verklaarde dat iemand hem zou
verraden: ‘Wie zal u verraden, Meester? Ben ik het?’ Ook dit beeld toont ons
de dubbelzinnigheid van interculturaliteit, maar laat ons vooral zien hoever de
mondialisering van de populaire cultuur heeft toegeslagen.
Overigens heeft Nassar geen gebrek aan zelfspot. Met een drieluik
verwijst
hij naar zijn eigen oeuvre, in navolging van een achttiende-eeuws atelierstuk.
Veel van de voor deze gelegenheid tentoongestelde werken keren op dit werk weer
terug. Zo is er een reprise te zien van het bankbiljet, ‘Salam Aleikum’ en
enkele andere werken. Op de voorgrond zien wij een aapje, wat in de
traditionele iconografie veelal gold als de
kunstenaar in de rol van imitator.
Het laatste figuratieve werk dat ik in dit kader wil bespreken betreft een kleine
landschapstekening. Hierop staat een polderlandschap in
vogelvluchtperspectief afgebeeld. Vanuit dit hoge perspectief zien wij het ritme
van Hollandse weilanden, afgewisseld met slootjes. Toch zou Nassar zichzelf
niet zijn als hij ook met dit gegeven niet iets zou doen. De sloten vormen een
patroon naar het Koefische schrift dat het woord ‘Allah’ weergeeft.
Hierbij ben ik gekomen aan de vraag wat Nassar bezielt met al dit dubbelzinnige werk. Waarom
verwerkt hij al deze verwijzingen in zijn schilderijen en verwijst hij
tegelijkertijd letterlijk naar zoveel visuele ‘pulp’? De essentie van zijn
werk ligt in het feit hoe de een naar de ander kijkt en de ander weer naar de
éen. Het werk van Nassar getuigt van een snelle associatieve intelligentie,
waardoor hij in staat is de meest bizarre verbanden te leggen. Hiermee legt hij
bepaalde thema’s bloot, die zonder zijn werk verborgen
zouden blijven. De
‘oosterling’ kijkt naar de ‘westerling’ volgens een bepaald mechanisme,
maar Nassar heeft vooral dit thema in omgekeerde richting verwerkt: wat is de
cultureel bepaalde blik van het ‘Westen’ naar de ‘Oriënt’?
Met zijn beeldinterventies legt Nassar valse neo-kolonialistische en exotistische
structuren bloot, die in het westerse culturele
denken bestaan. Hiermee raakt
hij een belangrijk punt van de westerse cultuurgeschiedenis. Volgens de
Palestijnse literatuurwetenschapper Edward Said bestaat er een groot complex
aan cultureel bepaalde vooroordelen in de westerse culturele canon aangaande
de ‘Oriënt’. In zijn belangrijkste
werk, Orientalism (1978), heeft hij erop gewezen dat de beeldvorming van
het westen van de Arabische wereld vooral wordt bepaald door enerzijds een
romantisch exotisme en anderzijds door een reactionaire kracht die, in de wil
tot overheersing, de irrationaliteit van de ‘Oriënt’ wil indammen, daar zij
nooit zelf in staat is om tot vernieuwingen te komen. Said heeft in zijn
belangrijke wetenschappelijke oeuvre de
onderliggende denkstructuren
blootgelegd, die hij toeschrijft aan het
imperialistische gedachtegoed, een
restant dat is blijven hangen na de koloniale periode en nog steeds zijn
weerslag vindt in bijvoorbeeld de buitenlandse politiek van de Verenigde Staten,
zoals hij die trefzeker weet aan te tonen in de visie van Henry Kissinger
aangaande
het Midden Oosten.
Voor het debat in de hedendaagse kunst is Saids bijdrage van groot belang geweest. Op dit
moment speelt het discours zich af tussen processen van uitsluiting, het
toetreden van de ander (maar daarbij het insluipende gevaar van exotisme), of
gewoon dat het fenomeen goede kunst van ieder werelddeel afkomstig kan zijn.
Wat betreft het laatste punt zijn wij helaas nog niet zover
gevorderd. Daarom zijn
kunstenaars als Nassar van het grootste belang. Edward Said hierover: ‘De
enige manier waarop cultuur niet belemmerd wordt door haar eigen complexe
verleden en door de neerbuigende clichés over naïeve verlossing en
patriottisme die er vaak bij gehaald worden, is door dat verleden en zijn
huidige werkelijkheid te bevatten, met alle ingewikkeldheden en er vervolgens
op voort te bouwen op een stoutmoedige, onderzoekende,
vernieuwende manier. Ik
geloof dat de Europese cultuur aan het einde van de twintigste eeuw
een gelegenheid kan bieden voor verschillende soorten herkenningen, in
alle verschillende, actieve zinnen van dat rijke woord. De historische waarheid
van je ervaringen herkennen, de waarheid van andere culturen herkennen; de
grootsheid en manipulaties waartoe cultuur in staat is
herkennen; herkennen
dat cultuur geen reeks monumenten is maar een onophoudelijk engagement met
processen van intellectuele expressie en realisatie; en, uiteindelijk, in
cultuur het potentieel voor stoutmoedige verbeelding en moedige uitspraken
herkennen. Al het andere is minder interessant.’
Terug naar Nassar en zijn ‘Moskeepoort’
met klompen ervoor. Wat Nassar
hier te vertellen heeft geldt vooral
voor ons, het Nederlandse publiek. Hij houdt ons een spiegel voor van de meest
obligate clichés, die er over ons, ‘Polderlanders’, bestaan,
overigens
vanuit het perspectief van een ‘Nijldalbewoner’ (en alle ‘Moslimdingen’
die daarmee samenhangen, waar wij sinds alle Nederlandse nieuwkomers en het
‘Rushdie’ effect zo bang voor zijn). Nassar is zich geheel van zijn eigen
ironie bewust. Sterker nog, hij speelt ermee. Hierin betoont hij zich een
letterlijke zapper van de geschiedenis; met ongekende hoeveelheden weet
hij beelden op ons af te vuren, die ons deels in verwarring brengen, maar
uiteindelijk onze geest scherpen. Nassar past niet geheel in het populistische multi-culti
gebeuren en al het romantische exotisme, wat dit vaak met zich meebrengt. Daar
is zijn werk net iets te intelligent voor en zaait hij met graagte de nodige
verwarring, zonder overigens cynisch of verbitterd te zijn.
Rest ons de vraag waar Achnaton Nassar eigenlijk staat. Hij licht een
tipje van de sluier op in een van zijn meer conceptuele werken. Op een knalrode
ondergrond roepen de fel groene letters je toe ‘To be or not to be’. De oplossing ligt letterlijk in de kleine lettertjes.Deze luiden: ‘be
yourself!’
|