Bibliotheken
Tentoonstellingen
Denken over duivels |
Denken over duivels
Vroegmoderne demonologie in de Leidse Universiteitsbibliotheek
9 februari – 11 maart 2006
Jan Frans van Dijkhuizen
| Inleiding |
| De moderne West-Europese mens ziet zichzelf
graag als verlicht, rationeel, seculier en niet-bijgelovig. Het
premoderne verleden gebruikt hij daarbij graag als belichaming
van alles wat hij zelf niet is: achterlijk, irrationeel,
wandelend in de duisternis van geloof en bijgeloof. In deze
visie fungeert het premoderne geloof in het bovennatuurlijke,
met de Europese heksenvervolgingen als belangrijkste uiting, als
symbool van de premoderne barbaarsheid. Werden tijdens de
Middeleeuwen immers niet miljoenen onschuldige ‘heksen’ vermoord
door verdwaasde fanatiekelingen die door middel van wrede
martelingen de meest buitennissige bekentenissen aan hun
slachtoffers hadden ontlokt? |
| |
Zelf-felicitaties vormen echter zelden een goede
leidraad bij het verwerven van |
| inzicht, en deze visie is dan ook op
zijn minst problematisch. De heksenvervolgingen zijn
bijvoorbeeld geen Middeleeuws fenomeen, maar vonden vooral
tijdens de zestiende en zeventiende eeuw plaats (ruwweg de
vroegmoderne periode). Ze moeten dan ook vooral worden gezien in
het licht van het ontstaan van de moderne wereld. Het aantal
‘heksen’ dat tussen ongeveer 1450 en 1750 in Europa is
omgebracht is ongeveer 50.000, waarvan zo’n 20 tot 25 % man. Dat
is uiteraard nog steeds een afschrikwekkend aantal, maar de
slachtofferstatistieken van de twee wereldoorlogen zijn van een
andere orde. Het moderne historische onderzoek naar het
bovennatuurlijke in de vroegmoderne samenleving heeft zich dan
ook afgekeerd van het moralistische perspectief dat het
populaire denken over dit thema kleurt. Na de verschrikkingen
van de twintigste eeuw is het moeilijk vol te houden dat de mens
gestaag voortmarcheert op de weg van de vooruitgang. Geloof in
het bovennatuurlijke moet dan ook niet worden gezien als een
symptoom van achterlijkheid – dat wij niet meer in hekserij
geloven, heeft meer te maken met sociale ontwikkelingen als
verstedelijking en de decline of neighbourhood dan met
ons ‘verlichte’ waardenpatroon. |
| |
Het is juist belangrijk om in te zien dat ook
een erudiet geleerde als de in |
| Antwerpen geboren Jezuïet Martin Del
Rio (1551-1608) – die niet minder dan negen talen vloeiend
beheerste en bewonderd werd door de grote Leidse humanist Justus
Lipsius – het bovennatuurlijke volstrekt serieus nam. Om te
begrijpen waarom dit zo was, moeten we onze moderne attitudes
opzij zetten, en ons afvragen wat begrippen als ‘demon’ en
‘magie’ precies betekenden binnen de vroegmoderne
culturele context. Geleerde demonologen als Del Rio benaderden
het bovennatuurlijke niet als onderwerp op zich, maar binnen een
context van andere, gerelateerde thema’s, zoals de werking van
de natuur, de aard van politiek gezag en religieuze orthodoxie,
en van het verloop en betekenis van de geschiedenis. Voor veel
vroegmoderne denkers was het geloof in de mogelijkheid van
hekserij betekenisvol omdat het aansloot bij een reeks van meer
algemene intellectuele onderwerpen. |
| |
De titel van deze tentoonstelling – ‘Denken over
duivels’ – onderstreept deze |
| historiografische visie. ‘Denken
over duivels’ biedt een miniatuur-overzicht van de geleerde
vroegmoderne demonologie, variërend van het beruchte Malleus
Maleficarum uit de late vijftiende eeuw tot Balthasar
Bekkers sceptische Betoverde Wereld uit het eind van de
zeventiende eeuw. Uit deze teksten ontstaat vooral een beeld van
de plaats die demonologie innam binnen het vroegmoderne denken.
De mechanismen die leidden tot de beschuldiging, vervolging en
eventuele veroordeling van heksen vormen een onderwerp op zich;
de geleerde teksten van deze tentoonstelling lenen zich maar
zeer ten dele voor een onderzoek hiernaar. De eerste vitrine is
gewijd aan eerstgenoemde tekst, waarvan de eerste editie
verscheen in 1486. De tweede vitrine bevat werken van enkele van
de belangrijkste demonologen uit de zestiende en zeventiende
eeuw: de eerdergenoemde Del Rio; de Fransman Jean Bodin
(1520-1596), die vooral bekend is als politiek denker en de
katholieke priester Nicholas Rémy (1534-1600). Vitrine 3 is
gewijd aan het traktaat Daemonologie van de
Engels-Schotse koning James I (1566-1625), en laat de verbanden
zien tussen het denken over hekserij en politiek. James I was
ook zeer geïnteresseerd in de (on)mogelijkheid van demonische
bezetenheid en deelt zijn vitrine daarom met Girolamo Menghi
(1529-1609), auteur van een bekend handboek voor het uitdrijven
van duivels. Vitrine 4 en 5 tonen demonologische werken van
theologen als de Engelse Calvinist William Perkins (1558-1602)
en de zestiende-eeuwse Nederlandse priester Jacob Vallick.
Perkins’ ideeën over magie en hekserij hingen nauw samen met
zijn ideeën over het katholicisme en de naderende eindtijd.
Vitrine 7 bevat tekst over het thema van het duivelspact.
Vitrines 6, 8 en 9 zijn gewijd aan drie auteurs die, elk om hun
eigen, niet altijd even verlichte redenen, sceptisch stonden
tegenover het geloof in het bovennatuurlijke: de Engelsman
Reginald Scot (1538-1599), de Nederlandse arts Johann Weyer
(1515-1588) en de theoloog Balthasar Bekker (1634-1698). |
|
|
|