|
13. Petrus Datheen, De Psalmen Davids, Uut Den Franchoyschen
dichte in Nederlantschen overgeset [...] Van nieus overghesien ende ghecorrigeert.
Ferdinand Sampsons, [1572 (1579?)]. - 161 liederen. [1160 C 20: 2]
Petrus Datheen was monnik in Ieper, maar hij verliet het klooster omstreeks 1550 en
week als calvinist uit naar Engeland. Als predikant keerde hij terug naar het
vasteland om te preken voor Nederlandse vluchtelingen in Duitsland. Daar moet hij
ook zijn psalmberijming hebben gemaakt, gebaseerd op een Franse tekst. En hoewel
zijn vertaling volgens velen geen literaire
schoonheidsprijs verdient, werd ze
alleen al in de zestiende eeuw bijna honderd keer herdrukt.
|
|
14.Luitboek Thysius
Papier, 521 bladen, 310 x 200 mm. Leiden, 1595-1630. - Luitboek met fantasieën,
intavolaties van madrigalen, chansons en motetten, dansen, psalmen en liedzettingen
voor luitsolo en enkele stukken voor vier luiten. [Ms. Thysius 1666]
Joannes Thysius is bekend vanwege de biblitheek die hij in betrekkelijk korte tijd
samenbracht en die zich nog altijd bevindt aan het Leidse Rapenburg. Een van de
boeken in zijn collectie is het onder muziekwetenschappers fameuze luitboek. Daarin
komt de aantekening voor: ‘Johan Thijs, wt d’Auctie van Smoutius’ (Van Joannes
Thysius, uit de veiling van Smout). Op grond hiervan wordt aangenomen dat Adriaan
Joriszoon Smout, de calvinistische predikant die door Vondel in zijn hekeldichten
fel werd bespot, het handschrift samenstelde.
In het luitboek staan maar weinig teksten. De meeste composities zijn slechts
voorzien van de beginwoorden van het lied waarop ze betrekking hebben. Maar het
handschrift bevat wel een aantal psalmberijmingen. Sommige daarvan zijn mogelijk
van de hand van Smout, andere, waaronder psalm 1, zijn overgenomen naar de bekende
vertaling van Datheen.
|
|
15. Philips van Marnix, heer van Sint Aldegonde, Het
Boeck Der Psalmen. Uut der Hebreïsscher sprake in nederduytschen dichte, op de
ghewoonlicke oude wijsen van singen, overgeset. Mitgaders de heylige
schriftuerlicke lofsangen uyt den ouden ende nieuwen Testamente by een getogen,
ende oock in nederlantschen dichte na der Hebreisscher ende Grieckscher waerheyt,
Mit elck sijnen text van woirde te woirde daer tegen over int duytsche gestelt.
Middelburg: Richard Schilder, 1591. - 171 liederen. [1497 G 1]
Philips van Marnix, heer van Sint Aldegonde (1540-1598) was een van de
voornaamste raadslieden in het gevolg van Willem van Oranje. Lange tijd werd hij
voor de auteur van het Wilhelmus gehouden. Die toeschrijving is zeer discutabel.
Maar dat hij psalmen dichtte, staat vast. Het moet zelfs een soort levenswerk voor
hem zijn geworden. Vanaf het midden van de jaren zeventig is hij er telkens weer
mee aan de slag geweest. In 1580 verscheen zijn eerste vertaling, elf jaar later
zag een sterk herziene vertaling het licht en ook daarna is hij er aan blijven
werken, blijkens de versie die na zijn dood verscheen.
Anders dan Datheen, die de psalmen uit het Frans had vertaald, ging Marnix terug
naar de Hebreeuwse grondtekst. Het lijkt er sterk op dat Marnix willens en wetens
Datheen heeft willen verbeteren, ook al schrijft hij in het voorwoord dat hij niet
wil afrekenen met Datheen noch het gewone volk zijn psalmvertaling wil ontnemen:
Wy en willen M. Peeter Dathenum niet schelden ofte straffen, noch syne
ouersettinghe der Psalmen uyt des ghemeynen mans handen niet rucken.
|