|
Bibliotheken
|
|
| omslagen en titelpagina's |
| foto's |
| handschriften |
ADRIAAN MORRIËN (1912-2002)
EEN KLEIN TRIBUUT
Adriaan Morriën was een veelzijdig auteur. Tot zijn werk behoren honderden gedichten, duizenden recensies en tientallen vertalingen. Morriën introduceerde vele jonge Nederlandse en buitenlandse schrijvers (als Hans Lodeizen en Günther Grass) bij een groot publiek. In deze kleine tentoonstelling worden diverse kanten van Morriëns schrijverschap belicht.
PROZA EN POËZIE
Adriaan Morriën debuteerde in 1939 met de dichtbundel Hartslag (Stols, Maastricht). In 1945 verscheen bij verzetsuitgeverij De Bezige Bij, in een oplage van 525 exemplaren, de bundel Luchtalarm. De titelpagina van dit prachtig vormgegeven werk vermeldt geen auteur, maar de gedichten werden geschreven door Adriaan Morriën. In 1956 verscheen een ‘lofzang op het vaderschap’, Alissa en Adrienne, de namen van Morriëns beide dochters. Naast de drie Nederlandse drukken (alle drie niet uitverkocht) verscheen ook een Duitse vertaling in 1957. Morriën publiceerde twee maal zijn levensherinneringen in de reeks Privé-domein: Plantage Muidergracht (1988) en Ik heb nu weer de tijd (1996). De springerige stijl in beide boeken lijkt wonderwel bij Morriën te passen.
CRITICUS EN INSPIRATOR
Morriën schreef in meer dan een halve eeuw ruim duizend pagina’s kritieken: over Bloem en Hesse, over Leautaud en uitgeverij Rowohlt en over nog veel meer. In Brood op de plank (Van Oorschot, 1999) werd in twee delen dundruk hieruit een ruime keuze gemaakt. Die twee delen laten niet zien dat Morriën ook een groot ontdekker en inspirator was. Hij zag als een van de eersten het belang van Hans Lodeizen en Jan Hanlo en zorgde ervoor dat hun werk werd uitgegeven. In het tijdschrift Literair Paspoort (redactie: Adriaan Morriën) en in andere bladen (Het Parool) liet hij vanaf 1946 Nederlanders kennis maken met vele nog onbekende buitenlandse auteurs (Richter, Grass). W.F. Hermans debuteerde als romanschrijver in het tijdschrift Criterium (1945) waarvan Morriën redactiesecretaris was. De verhouding bekoelde later. In 1955 publiceerde Morriën De gruwelkamer van W.F. Hermans, of Ik moet altijd gelijk hebben.
LIEFDE EN EROTIEK
Morriën schrijft zeldzaam natuurlijk over het menselijk lichaam en over zijn eigen seksualiteit. Waar beschrijvingen van uiterlijkheden, masturbatie en geslachtsactiviteit normaal gesproken snel platvloers worden, slaagt Morriën er in om een fijnzinnige toon te houden. Hij doet dat zowel in zijn gedichten (bijvoorbeeld in de bundel Een mooi dik meisje zonder borsten (1977)) als in proza (De Lotus-brieven: het verslag van een betovering (2001)). Vertalingen zijn soms ook tekenend: Het verhaal van O van Pauline Réage werd door Morriën vertaald. Het is moeilijk om in het werk van Morriën geen verwijzing te vinden naar de vervoering van de erotiek. ‘Als ik mij moe of ontmoedigd voelde, was alleen al de kus van een vrouw in staat mij nieuwe levenslust te geven’, bekende hij in een interview in 1982.
MORRIËN IN HANDSCHRIFT
Een kijkje in de keuken is zelden onaangenaam. In Morriëns
handschrift is hier te zien hoe een kladversie van het gedicht De
zee is lui geworden langzaam verandert.
Aardig is ook een brief van Morriën uit 1946 aan een dan nog onbekende
Hans van Straten in Nederlands-Indië, die
een jaar later medewerker aan het tijdschrift Literair
Paspoort is.
Ook een kritiek krijgt vaak langzaam vorm, zoals in dit geval op een rekening
van Chinees restaurant “Golden Chopsticks”
aan de Oude Doelenstraat te Amsterdam.
Foto’s en handschriften
voor deze kleine tentoonstelling werden in bruikleen afgestaan door Alissa
en Adrienne Morriën te Uithuizen en Uitgeverij Van Oorschot te Amsterdam.
|
|