Bibliotheken
Tentoonstellingen
Scaliger |
Adelaar in de wolken. De Leidse jaren van Josephus
Justus Scaliger 1593-1609
Samenstelling: Paul G. Hoftijzer & Kasper van Ommen
Briefwisseling
| 9.1 |
Brief van Janus Dousa de Jongere aan Scaliger, gedateerd 31
januari 1596. |
UBL hs. BPL 885.
Een handschriftelijke brief van Janus Dousa junior, op wie
Scaliger zeer gesteld was. De brief is nooit uitgegeven. Op de
plek waar de rechtermarge gescheurd is, zal misschien moeten
worden ingevuld ‘antiquis[simis. No]- vam’ en ‘cuius veru[m nom]en
est’. Van de hereditie waarvan sprake is tussen deze twee
zinsfragmenten in, bezit de UBL een door Scaliger zelf (en
misschien ook door Gerardus Vossius) geannoteerd exemplaar uit
de Bibliotheca Vossiana, nr. 163 (755 F 26: 2): Gewrgiou~ tou~
Kwdi>nou~ peri< tw~n ojffici>alw~n tou~ palati>ou Kwnstantinoupo>lewv,
kai< tw~n ojffiki>wn th~v mega>lhv Ekklhsiav. Georgius Codinus
Curopalata, De officialibus palatii Constantinopolitani et
officiis magnae Ecclesiae, ed. Franciscus Junius ([Heidelberg]:
Hierönymus Commelin, 1596). Het boek is in één band gebonden met
een ander werk van Codinus, dat door Janus in het vervolg van de
brief gemeld wordt en dat nog hetzelfde jaar verscheen in een
editie en vertaling door Janus’ broertje Georgius: Georgiou~
tou~ Kwdi>nou~ pare>kbolai ejk th~v bi>bliou tou~ cronikou~,
peri< tw~n patri>w~n th~v Kwnstantinoupoleowv Georgii Codini
selecta de originibus Constantinopolitanis, nunc primum in lucem
edita; interprete Georgio Dousa, Iani F.
([Heidelberg]: Hieronymus Commelin, 1596) (UBL 755 F 26: 1). |
 |
|
| 9.2 |
Brief van Scaliger aan Johan van Oldenbarnevelt,
gedateerd 20 april 1599. |
UBL hs. BPL 885.
Scaliger had een zeer goed leesbaar handschrift, zoals blijkt
uit deze autograaf. Het is een brief aan Johan van
Oldenbarnevelt, waarin Scaliger zijn beklag doet over de
hoofdelijke belasting die hij zou moeten betalen. Heinsius heeft
in zijn editie vele ingrepen gedaan in deze brief. Onder andere
liet hij in zesde regel van boven het woord ‘professoren’ weg in
de woorden ‘ipsorum Professorum conspirationem’
(een samenzwering van de professoren zelf), zodat in de editie
te lezen is: ‘een samenzwering van henzelf’, zonder dat
duidelijk is van wie. Heinsius wilde dus de wrevel verdoezelen
die Scaliger voelde tegen sommige Leidse collega’s. |
 |
|
| 9.3 |
Brief van Johannes Buxtorffius aan Scaliger, gedateerd 4
september 1606. |
UBL hs. BPL 246.
Scaliger wisselde aantal brieven met de beroemde oriëntalist
Buxtorff, die door hem en Casaubon werd beschouwd als de
grootste hebraeïst van hun tijd. Scaliger ging zelf prat op zijn
kennis van het Hebreeuws. Deze brief werd in 1727 uitgegeven
door Petrus Burmannus, in het tweede deel van zijn beroemde
vijfdelige collectie met brieven van beroemde mannen Sylloge
epistolarum (pp. 364-365, no. 121). |
 |
|
| 9.4 |
Josephus Justus Scaliger, Epistolae omnes quae reperiri
potuerunt ..., ed. |
Daniel Heinsius (Leiden: Bonaventura en Abraham Elzevier, 1627).
UBL 765 F 22.
De Leidse hoogleraar Daniel Heinsius gaf in 1627 ongeveer een
derde van de brieven van zijn voormalige leermeester uit. Hij
verbeterde dikwijls het Latijn van Scaliger door werkwoorden
achteraan in de zin te plaatsen. Ook censureerde Heinsius namen
van personen over wie Scaliger een negatief oordeel velde. Wie
bladert door dit exemplaar van de Heinsius-editie uit de
Bibliotheca Vossiana, ziet daar tal van aanvullingen,
invullingen en corrigenda die blijkens een aantekening op het
titelblad zijn gemaakt door Dionysius Vossius (de jonggestorven
zoon van Gerardus Vossius) en Paulus Colomesius (die onder meer
in 1690 de correspondentie van Gerardus Vossius uitgaf). Op p.
858 heeft een van beiden bovenaan een brief van 13 juli 1603 de
naam ingevuld van de jonge Duitse filoloog Geverhartus
Elmenhorst, waar Heinsius ‘Amico cuidam’ (Aan een vriend) had
neergezet. Ook voor de sterretjes op de pagina ernaast is de
naam aangevuld plus de titel van het werk dat Elmenhorst onder
handen had en dat zijn identiteit had kunnen verraden. Heinsius
wilde ongetwijfeld de reputatie van Elmenhorst sparen, want de
brief begint als volgt: ‘Ik ontving eergisteren enkele excerpten
uit een slechte Scholiast [uitlegger] van [de Romeinse satirist]
Juvenalis; niet alleen een slechte, maar ook een zeer onbekwame.
Jij zegt dat je iets van plan bent met Juvenalis. Als je enig
vertrouwen stelt in iemand die jou in leeftijd ver te boven
gaat, dan geef ik je het advies voordat je iets uitgeeft, eerst
met beide benen op de grond te komen en eens goed te overwegen
wat jouw schouders wel en wat ze niet kunnen dragen. In één
woord: leer, voordat je onderwijst.’
|
|
| 9.5 |
Isaacus Casaubonus, Epistolae, editio secunda LXXXII.
epistolis auctior, & |
juxta seriem temporum digesta, ed. Johannes Georgius
Graevius (Maagdenburg, 1656). UBL 671 D 12.
Het titelblad van een exemplaar van de tweede van de drie
edities van de correspondentie van de graecus Isaac Casaubon. De
UBL bezit ook nog een exemplaar van de eerste druk (’s‑Gravenhage,
1638), uit de Bibliotheca Vossiana, nr. 104, en van de derde
druk (Rotterdam, 1709). Wie de gezichtjes in Casaubons naam
heeft getekend is niet bekend. Deze edities bevatten vrijwel
alle 143 overgeleverde brieven die Casaubon aan Scaliger
schreef. Er zijn 111 brieven van Scaliger aan Casaubon bekend;
het is de omvangrijkste briefwisseling uit de hele
correspondentie van Scaliger, die groot respect had voor zijn
negentien jaar jongere landgenoot. |
 |
|
|
|